Neueste Kommentare

  • Meinhardt   vor 7 Wochen 11 Stunden

    Gepubliceerd op: 9 juni 2000
    Door H. de Vries
    Meer informatie

    In de schaduw van Auschwitz
    Zigeunerin Bluma Schattevoet: Onze mensen moesten zichzelf van de grond zien op te rapen

    Al in haar vroege jeugd confronteerde Friedel Meinhardt zijn enige kind met herinneringen aan Auschwitz. Als 12-jarig meisje werd Bluma zijn secretaresse en stelde ze de door hem gedicteerde brieven aan het "Wiedergutmachungsamt" op. Het was het begin van een strijd om recht, die in 1992 eindigde met de uitbetaling van 180.000 mark. Het bedrag werd meteen teruggevorderd. "Het pensioen van 500 mark dat hem werd toegekend, liet hij op een aparte rekening storten met de vermelding: "Begrafeniskosten." Hij weigerde ervan te leven."

    Het kampje in de Culemborgse nieuwbouwwijk is omgeven door burgerwoningen. De vier bungalowwagens steken nauwelijks af tegen de witstenen huizen. De overeenkomst met de huifkarren en ''pipowagens'' waarmee zigeuners en reizigers eens door Europa trokken, is nihil. Toch ruilt Bluma Schattevoet voor geen goud met de overburen. Hoewel moderne geneugten zoals mobiele telefoon en computer hun intrede in haar wagen deden, zal ze de houten wanden nooit meer verwisselen voor een stenen gevel.

    "Twee jaar hebben we in een huis gewoond, in Valkenswaard. Op een gegeven moment proefde ik alleen maar beton. Boven kon ik niet slapen, ik nam m''n matras mee naar beneden. In de zomer kookte ik buiten in de tuin, op een gasstelletje. Terwijl dat huis aan een kamp grensde. Als ik naar buiten keek zag ik de wagens. Toch ging het niet. Daarom zijn we drie jaar geleden hiernaartoe gekomen. Dit is een uniek kampje. Wij zijn Sinti, de buren Roma, in de volgende twee wagens wonen reizigers en dat gaat heel goed samen."

    Op de woonkamertafel ligt haar jongste verhalenbundel: "Schaduwkinderen". Ze droeg het op aan haar vader. "En aan het volk waar ik zo ontzettend veel van hou. Ik ben er eentje van en daarop ben ik trots!" Op 19 mei overhandigde de 38-jarige Sinti-vrouw, moeder van vijf kinderen en oma van een kleindochter, het eerste exemplaar aan minister Borst, tijdens de herdenkingsbijeenkomst van Sinti in Westerbork. Ter herinnering aan het feit dat niet alleen Joden het doelwit van de nazi''s waren. Ook zigeuners dienden geëlimineerd te worden.

    Aan het gat dat de oorlog in hun gelederen sloeg, werd lange tijd nauwelijks aandacht besteed. Pas begin jaren negentig toonde journalist Aad Wagenaar aan dat "het meisje met de hoofddoek", bekend symbool van de holocaust, geen Jodinnetje was, maar het zigeunermeisje Settela Steinbach. Van de 245 Nederlandse Sinti die naar Auschwitz werden afgevoerd, keerden er slechts 31 terug. In Duitsland sloeg de holocaust een nog grotere wond in de zigeunergemeenschap. En in de ziel van Friedel Meinhardt, die als door een wonder aan de gaskamer ontkwam waarin zijn moeder, broers en zusjes omkwamen.

    Dat zijn vader in leven bleef, was te danken aan de muziek. Het is een van de aangrijpendste passages in de nieuwste verhalenbundel van Bluma Schattevoet. "Wij zigeuners staan bekend als goede muzikanten. De meesten kunnen geen muzieknoot lezen, maar viool of gitaar kunnen ze spelen dat je er kippevel van krijgt. Ook mijn grootvader was een groot violist. Als hij in de oorlog voor de officiers moest spelen, dan liet de csardas hun bloed koken en de zigeunerwijs dreef hun de tranen in de ogen... Ja, de zigeunerwijs van Brahms, dat was zijn mooiste melodie, en dat wisten ze. Op de dag dat mijn grootmoeder met haar kinderen de gaskamer inging, moest hij bij de deur staan en deze melodie als afscheidsgroet voor hen op de viool spelen... Na de oorlog heeft hij nooit meer een viool aangeraakt."

    Het is een van de verhalen die Bluma in haar vroege jeugd van haar vader hoorde. "Ik was zijn enige kind, dus met alles kwam hij bij mij. Ik ben geboren in Wuppertal, maar daar zijn we maar kort geweest. Van Wuppertal zijn we naar Karlsruhe getrokken. Daar heb ik de eerste jaren op school gezeten. Tot m''n vader ziek werd en terug wilde naar zijn familie in Noord-Duitsland. We trokken er voortdurend rond, want hij kon nergens rust vinden. Uiteindelijk kwamen we in de buurt van Koblenz. Daar is hij gebleven. In de winter woonden we in ons huis in Mayen, zomers reisden we met de kampeerwagen door de Eiffel. Later ontdekte ik dat dit het gebied was waar hij in z''n jeugd met z''n ouders, broers en zusjes had rondgetrokken. Met een handkar, ventend van dorpje naar dorpje.

    Ze hadden acht kinderen. Zeven van hen zijn met hun moeder vergast, de jongste was twee dagen oud. De bedoeling was dat ook m''n vader de gaskamer in zou gaan. Als oudste zoon liep hij voor zijn moeder uit, over een soort dijkje. Opeens zag ze onder zich, tussen de struiken in de berm, haar broer staan. Zonder dat de SS''ers het in de gaten hadden, gaf ze m''n vader een duw. De laatste woorden die hij van haar hoorde, waren aan zijn oom gericht: "Let op m''n jongen." Beiden hebben Auschwitz overleefd, net als mijn grootvader. Die is na de oorlog hertrouwd. Dat huwelijk bracht zes kinderen voort, maar mijn vader heeft nooit aansluiting bij zijn halfbroers en -zussen kunnen vinden. De kloof was te groot. M''n moeder heeft in een getto in Polen gezeten, maar sprak daar nooit over. Pas kortgeleden heeft ze me er wat over verteld.

    Als ik terugkijk, zie ik dat m''n jeugd een beetje schizofreen was. Ik had twee levens. Aan de ene kant het leven op school, met burgervriendinnetjes. Aan de andere kant het traditionele zigeunerleven thuis, met bovendien het trauma van mijn vader. Hij had vaak nachtmerries, die soms samengingen met epileptische aanvallen. Als ik wakker werd, probeerde ik hem te troosten. Hij praatte met mij als met een volwassen mens. Toen vond ik dat normaal. Je wist niet beter. Andere meisjes van mijn leeftijd vond ik al snel kinderachtig. Sinds een jaar of zes ben ik me ervan bewust wat het met mij gedaan heeft. Als m''n vader in de buurt was, kon je nooit vrolijk of uitgelaten zijn. Er hing een sluier van triestheid om hem heen. Dat bepaalde heel sterk de sfeer in huis.

    Nu begrijp ik wat dat voor m''n moeder betekend heeft. Vroeger dacht ik daar niet over na. M''n moeder was er gewoon. Ze kookte, ze waste m''n kleren, het klinkt niet leuk, maar ze was een deel van de inrichting. Ik zag haar als een zwak persoon. Wat stelt dat huishouden nou voor? Achteraf besef ik dat ze ontzettend sterk is geweest. Hou het maar vol met zo iemand als mijn vader. Leef maar eens zo veel jaren met zo''n man. Tegen mij vertelde hij veel meer dan tegen haar. Vooral wanneer hij een paar glaasjes wijn had gedronken. Dan riep hij me, soms midden in de nacht, en begon te vertellen. Meestal over zijn moeder. "Jij lijkt op haar", zei hij dan. Via z''n moeder kwam hij op z''n broertjes en z''n zusjes. Dan op z''n ervaringen in het concentratiekamp."

    "M''n vader handelde in antiek, in goud, in paarden, net waar op dat moment wat mee te verdienen was. Het viel niet mee om ervan rond te komen. Duitsland is altijd een hard land geweest voor Sinti. Als kind ben ik vaak uitgescholden en gepest, vooral wanneer we rondtrokken. Daardoor ga je je afsluiten en bouw je een wal om je heen. Je wordt overgevoelig, waardoor je soms dingen denkt te bespeuren die er helemaal niet zijn. Ik verbrak het contact met m''n burgervriendinnetjes. Sommige heb ik daarmee misschien onrecht gedaan. Als je zo sterk geconfronteerd wordt met een haat tegen alles wat Duits is, neem je die vanzelf over.

    In de maanden dat we met andere Sinti op reis waren, zat ik dan hier, dan daar op school. In een boekje werden m''n prestaties opgetekend. Aan het eind van de rit leverde ik het in bij mijn thuisschool, de Realschule in Mayen. Aan de hand van dat boekje werd een rapport opgesteld. Het hoofd van de school was een Joodse man, die vierkant achter me stond. Ik leerde graag en mocht op een gegeven moment zelfs aan het gymnasium beginnen. Daar heeft m''n vader een stokje voor gestoken. Hij was er geweldig trots op dat ik kon lezen en schrijven, maar toen hij hoorde dat ik naar het gymnasium kon, werd het denk ik een beetje beangstigend. Als zigeuner hoor je je ouders niet boven het hoofd te groeien. Ik moest thuiskomen om m''n moeder te helpen. Dat vond ik verschrikkelijk. Ik wou een beroep uitoefenen, maar dat was niet bespreekbaar.

    Vanaf m''n twaalfde jaar werd ik zo''n beetje de secretaresse van m''n vader. Ik schreef regelmatig brieven voor hem, naar het "Wiedergutmachungsamt" en naar zijn advocaat. Na de oorlog had Duitsland aan Sinti de gelegenheid gegeven zich aan te melden als oorlogsslachtoffer, in verband met schadevergoeding. Ze kregen daar één week voor. Was je niet op tijd, dan ging je recht verloren. Net als de meeste zigeuners kon mijn vader niet lezen. Eer hij iemand gevonden had die hem kon helpen, was de termijn verstreken. Zo is het de meeste van onze mensen vergaan. Voor mijn vader was dat de belangrijkste drijfveer om mij onderwijs te laten volgen.

    Ik kon opschrijven wat hij dicteerde. Later ga je je realiseren wat je op papier zette, wat er allemaal gebeurd was. Bij stukje en beetje kreeg ik steeds meer te horen. Dat wat m''n vader door de Duitsers aangedaan was, wilde ik goedmaken. Dat ging natuurlijk niet. Ik probeerde het hem voortdurend naar de zin te maken. Urenlang las ik hem voor uit de krant.

    Met m''n achttiende jaar heb ik Duitsland verlaten. Ik wilde niets meer met dat land te maken hebben en ben bij een halfbroer van m''n vader gaan wonen, op een kampje in Schimmert. Af en toe kom ik in Duitsland om mijn moeder te bezoeken, maar ik ben altijd weer blij als ik terug ben. Heel wonderlijk, bij alles wat ik wilde doen, moest ik m''n vader heel omzichtig om toestemming vragen. Toen ik erover begon dat ik naar Nederland wou, stemde hij meteen toe. Ik kreeg zelfs een kampeerwagen en een auto.

    De eerste tijd heb ik enkel van de vrijheid genoten. Terwijl buitenlanders in Duitsland als gastarbeiders werden beschouwd, hoorden ze hier al tot de bevolking. Ik kon er vrij voor uitkomen dat ik zigeunerin ben. Ik hou van Nederland. Het is iets wat je niet beschrijven kunt. Ik voel dat ik bij dit land hoor. Overal zijn problemen en dingen waarin je je niet kunt vinden, maar moest ik opnieuw voor een land kiezen, dan zou het beslist weer Nederland worden. In Duitsland ben je een vieze zigeuner, een nietsnut, een crimineel. Hier circuleren ook verhalen over mensen die van een kamp komen, maar je krijgt tenminste de kans om te laten zien wie je bent. Ik krijg dagelijks burgerburen over de vloer. Dat is in Duitsland ondenkbaar.

    Door m''n man leerde ik de burgerwereld van nabij kennen. Mario is een halve Sinto. Zijn moeder is een Nijmeegse burgervrouw. Burgerlijker kan niet: om drie uur de koffie, half zes het eten op tafel. Oer-Hollands, beide benen op de grond. Een schat van een mens, ik kan me geen betere schoonmoeder voorstellen. Ze is altijd in een huis blijven wonen, maar zodra ze op het kamp is, gedraagt ze zich als een volbloed Sinti-vrouw. Ze heeft de gave zich volledig aan te passen aan de situatie waarin ze verkeert, zonder haar eigen stijl te verloochenen. Dat vind ik heel knap."

    "In 1992 werd m''n vader eindelijk als oorlogsslachtoffer erkend. De 180.000 mark die hij kreeg werd meteen teruggevorderd omdat hij jarenlang van de sociale dienst had geleefd en zijn ziektekosten betaald waren door de Allgemeine Ortskrankenkasse van Koblenz. Hij was toen al doodziek en wist dat hij zou gaan sterven. Z''n hele leven heeft hij gevochten om recht. Dat gevecht wilde hij hoe dan ook winnen. Toen hij het eindelijk had gewonnen, ontdekte hij dat het geen waarde meer had. Het pensioen van 500 mark dat hem werd toegekend, liet hij op een aparte rekening storten met de vermelding: "Begrafeniskosten." Hij weigerde ervan te leven. Mij gaf de erkenning ook niet de voldoening die ik ervan verwacht had. Ik had totaal geen euforische gevoelens. Het had te lang geduurd.

    Vijf jaar geleden is m''n vader overleden aan longkanker, waarschijnlijk het gevolg van de dwangarbeid in Oostenrijkse mijnen. Eerder waren z''n stembanden al verwijderd wegens keelkopkanker. Tientallen jaren heeft hij met z''n gezondheid getobd, door alles wat hij in de oorlog had meegemaakt. De dood was voor hem een verlossing.

    Door alles wat hem is aangedaan, zat ik vol haat en agressie. Het schrijven heeft me daarvan bevrijd. Ik schrijf al heel lang, maar deed er nooit wat mee. Tot ik het blad "Samen", een uitgave van het woonwagenpastoraat, tegenkwam. Daar werk ik nu vast aan mee. Al snel kreeg ik het advies de verhalen die ik had liggen te bundelen. Begin dit jaar is "De geur van de reis" uitgekomen. De reacties daarop waren zo positief dat ik besloot een vervolg te brengen. In mei is het verschenen, tegelijk met "Schaduwkinderen". Het was pastoor In ''t Zand, de landelijke woonwagenpastoor, die mij heeft gestimuleerd de oorlogsherinneringen van mijn vader en de betekenis daarvan voor mij op te schrijven. Hij wist dat ik daarmee zat. Zo is dit boekje ontstaan. Voor mij heeft het een bijzondere betekenis. Als ik in "Schaduwkinderen" lees, is het net of het verhalen van een ander zijn. Je hebt op dat moment een bepaalde afstand. Dat maakt je milder.

    Eindelijk staat er nu iets zwart op wit van iemand uit onze eigen gemeenschap. Heel veel mensen weten niet wat wij meegemaakt hebben. Ook de Sinti en de Roma zijn bijna vernietigd. Het verhaal van de Joden is bij iedereen bekend. Ons verhaal niet. Ten eerste hadden wij na de oorlog geen land om naar terug te gaan. Er was geen wet die ons beschermde. Onze mensen moesten zichzelf van de grond zien op te rapen. Het dagelijks overleven was het belangrijkste. In de tweede plaats waren heel veel thema''s taboe. Bij ons praat een vrouw er niet gemakkelijk over als ze onder dwang gesteriliseerd is, of verkracht. Vergeet ook niet dat bij ons vrijwel niemand kon lezen en schrijven. Er waren geen brieven of dagboeken waarin gebeurtenissen zijn vastgelegd. En de omgeving had geen belangstelling voor wat er met ons gebeurd is. We hebben altijd in de schaduw geleefd. Vanaf de veertiende eeuw zijn we vervolgd, gediscrimineerd of gewoon genegeerd. Aan de Joden heeft premier Kok excuses aangeboden, wij deden niet mee. Pas toen de landelijke Sinti-organisatie protesteerde, kwamen wij in beeld en is ook ons schadevergoeding beloofd."

    "Ik sta volledig achter de protesten van de Sinti-vereniging, maar als ik eerlijk ben heb ik het gevoel dat het de laatste kreten van een uitstervend volk zijn. Elke kever in Nederland heeft bescherming. Wij niet. Terwijl we het meest exotische zijn dat dit land te bieden heeft. Ik ben ervan overtuigd dat de Nederlander bereid is zich in te zetten voor het behoud van onze cultuur, maar niemand is zich bewust van de betekenis ervan. Een taal die 600 jaar heeft overleefd, zonder dat er een letter van in een boek staat, is toch de moeite waard? Ongeschreven wetten die van generatie op generatie zijn overgedragen, en die nog steeds worden nageleefd, moeten toch betekenis hebben? Het zou heel erg zonde wezen als die verdwijnen, maar ik zie het wel gebeuren. In Duitsland, waar je geen woonwagenkampjes hebt, zijn de Sinti al heel sterk geassimileerd. Hier zal dat ook gaan gebeuren. De Woonwagenwet is vervallen. Ongetwijfeld zullen er over tien jaar nog maar weinigen zijn die in een wagen leven. Daardoor ga je minder met elkaar om, er wordt minder onderling getrouwd, de eigen cultuur verwatert. Waar vind je over dertig jaar nog een echte Sinto?

    Zelf zal ik zo lang mogelijk aan onze cultuur vasthouden. Ik ben geëmancipeerder dan mijn ouders, maar we leven nog steeds naar de wet van de zigeunertraditie. Die probeer ik ook over te dragen op mijn kinderen. Tot nu toe lukt dat goed. Ik druk ze niet in een schema. Ze mogen zich vrij ontplooien, gaan naar gewone scholen en hebben burgervrienden, maar op de achtergrond blijf ik steeds benadrukken dat ze trots mogen zijn op hun afkomst. Een zigeuner heeft niks om zich voor te schamen.

    Onze gebruiken hebben ze spontaan overgenomen. Daar wordt niet eens over gepraat. Je wast je handen nooit in de afwasbak. Die is bestemd voor het klaarmaken van het eten. Jezelf wassen doe je uitsluitend in de badkamer. Als we op reis zijn, staat de jerrycan met water nooit op de grond. We mogen geen paardenvlees eten. Doe je dat wel, dan word je door de stam uitgestoten. De vader is de koning van het huis. Is er een rechtspreking door de oude mannen van de stam, dan mag je als vrouw niet binnenkomen. Hun woord is wet. Al die dingen zijn voor ons vanzelfsprekend.

    Mijn kinderen hebben gelukkig een gezond zelfbewustzijn ontwikkeld. Ze komen er openlijk voor uit dat ze zigeuner zijn. Ze stimuleren mij ook om door te gaan met schrijven. De presentatie van "Schaduwkinderen" aan minister Borst heeft heel veel voor me betekend. Ik ben er ontzettend trots op dat ik degene mocht zijn die als eerste het persoonlijke oorlogsverhaal van een zigeunerfamilie kon aanbieden aan een lid van de regering."

    Was het voor uw gevoel tegelijk een postuum eerbetoon aan uw vader?

    "Natuurlijk! Aan hem heb ik het boek opgedragen."

    Mede n.a.v. "Schaduwkinderen", door Bluma Schattevoet; uitg. Daja-stichting, Den Dungen, 2000; ISBN 90 73180 75 9; 48 blz.; 14,95.

  • Willstaedt   vor 7 Wochen 2 Tage

    So etwa im Fall des im Wichlinghauser „riri“-Reißverschlußwerk zwangs-
    verplichteten Paul Willstädt, der nach dem Hitler-Attentat im Juli 1944 vom Betriebsobmann
    dieser Firma bei der Gestapo denunziert und anschließend in das Polizeigefängnis im Präsi-
    dium gebracht worden war. Anfang 1945 „überstellten“ die lokalen Gestapomitarbeiter
    Willstädt dann in das Konzentrations- und Vernichtungslager Auschwitz, wo sich seine Spuren verloren.

    LAV-NRW, Abt. R. Rep. 5/1271.

    Michael Okroy: Der „Gesunderhaltung des deutschen Volkskörpers“ verpflichtet.
    Das Polizeipräsidium Wuppertal als regionale Zentrale der nationalsozialistischen
    Verfolgungsbehörden 1939–1945

    http://www.bgv-wuppertal.de/GiW/Jg9/8volkskoerper.pdf

  • Mendelsohn   vor 8 Wochen 13 Stunden

    Mendelsohn, Georg

    geboren am 19. Januar 1888 in Preußisch Stargard (poln. Starogard) / - / Westpreußen
    wohnhaft in Wuppertal

    Inhaftierung:
    21. Juni 1938, Sachsenhausen, Konzentrationslager
    17. Februar 1940, Sachsenhausen, Konzentrationslager

    09. Oktober 1942 Groß-Rosen, Konzentrationslager;
    09. August 1942-
    21. August 1942 Dachau, Konzentrationslager

    Todesdatum: 21. August 1942
    Todesort: Dachau, Konzentrationslager

    Q.: Gedenkbuch Bundesarchiv

  • Paßquali   vor 12 Wochen 10 Stunden

    Paßquali, Johannes
    geb. 11.09.1918, Leer in Ostfriesland
    Todesdatum: 09.05.1940,
    Häftlingsnummer(n): 20932

  • Pass   vor 17 Wochen 3 Tage

    Friedhof Köln-West
    Grablage Köln-West, Sonderstück Teil I, lfd. Nr. 36
    Name Paß, Hans
    Namensvarianten Pas, Albert Paul Hans
    Geburtsdatum lt. anderen Quellen 07.01.1901
    Alter zum Zeitpunkt des Todes lt. anderen Quellen 41 Jahre
    Geburtsort lt. anderen Quellen Elberfeld
    Todesdatum lt. anderen Quellen 10.07.1942
    Todesort lt. anderen Quellen Köln, Gefängnis Klingelpütz
    Datum der Beisetzung lt. anderen Quellen 10.07.1942

  • Reinertz   vor 17 Wochen 3 Tage

    Friedhof Köln-West
    Grablage Köln-West, Sonderstück Teil I, lfd. Nr. 32
    Name Reinertz, Erich
    Namensvarianten Reinerts, Erich Richard
    Geschlecht lt. anderen Quellen männlich
    Geburtsdatum lt. anderen Quellen 12.07.1900
    Alter zum Zeitpunkt des Todes lt. anderen Quellen 41 Jahre
    Geburtsort lt. anderen Quellen Wuppertal-Barmen
    Todesdatum lt. anderen Quellen 23.06.1942
    Todesort lt. anderen Quellen Köln, Gefängnis Klingelpütz
    Datum der Beisetzung lt. anderen Quellen 23.06.1942

  • Hüls   vor 17 Wochen 3 Tage

    Friedhof Köln-West
    Grablage Köln-West, Sonderstück Teil II, lfd. Nr. 66
    Umgebettet am 11.12.1946
    Umgebettet nach Wuppertal
    Name Hüls, Paul
    Namensvarianten Hüls, Karl Robert Paul
    Geschlecht lt. anderen Quellen männlich
    Geburtsdatum lt. anderen Quellen 13.03.1909
    Alter zum Zeitpunkt des Todes lt. anderen Quellen 33 Jahre
    Geburtsort lt. anderen Quellen Elberfeld
    Todesdatum lt. anderen Quellen 02.02.1943
    Todesort lt. anderen Quellen Köln, Gefängnis Klingelpütz
    Datum der Beisetzung lt. anderen Quellen 11.02.1943

  • Hahn   vor 17 Wochen 3 Tage

    Friedhof Köln-West
    Grablage Köln-West, EG : 1759
    Frühere Grablage Köln-West, Feld 5: 23 + 9
    Name lt. Gräberliste Hahn, Hans
    Geschlecht lt. anderen Quellen männlich
    Geburtsdatum lt. Gräberliste 20.01.1920
    Geburtsort lt. Gräberliste Wuppertal-Barmen
    Todesdatum lt. Gräberliste 04.02.1944
    Todesort lt. Gräberliste Köln, Gefängnis Klingelpütz
    Todesort lt. anderen Quellen Köln, Gefängnis Klingelpütz
    Datum der Beisetzung lt. anderen Quellen 11.02.1944
    Staatsangehörigkeit lt. Gräberliste deutsch

  • Israel   vor 21 Wochen 3 Tage

    Rechtsanwalt Hugo Israel wurde 1893 als
    Sohn von Hyman und Regina Israel in Langenberg/
    Rheinland geboren. Er war beim Landgericht Wuppertal als Rechtsanwalt zugelassen.
    Israel heiratete die Lehrerin Hedwig (Hede) Baruch aus Berlin und lebte von 1933 bis 1941
    im Haus Kleine Klotzbahn 12, wo sich auch seine Kanzlei befand. 1941 musste die Familie Israel in ein so genanntes „Judenhaus“ an der Brillerstr. 34
    ziehen.

    Hugo Israel wurde 1938 als einer von drei Konsulenten beim Landgericht Wuppertal zugelassen. Bereits am 21. April 1942 wurde seine 18-jährige Tochter Eva mit 63 weiteren Wuppertalern nach Izbica deportiert.
    Hugo und Hedwig Israel wurden im Juli 1942 nach Theresienstadt deportiert. In der „Teilnehmerliste Transport Düsseldorf Theresienstadt 20.7.1942“ ist mit einem handschriftlichen Zusatz vermerkt, dass auch Hedwigs 77-jährige Mutter,
    Regina Baruch, „evakuiert“ wurde
    („Israel Rechtsanwalt. Mann, Frau, Schwiegermutter
    „Baruch“, Wuppertal-Elberfeld, Brillerstr. 34“).
    Hedwig Israel starb am 3. August 1943 in Theresienstadt, Hugo Israel wurde am 28. September 1944 mit der Häftlingsnummer 1219 nach Auschwitz
    weitertransportiert und dort ermordet.
    © Dr. Susanne Mauss

  • Majdic   vor 22 Wochen 1 Tag

    Sehr geehrter Herr Podbielski,

    bei der Aufarbeitung des Leben und Sterben meiner Verwandten könnte mir ihre erwähnte Namensliste helfen. So viel ich weiß, war mein Vater ( Karl - Heinz Paul von 1944 - 1945 in Lönnewitz).
    Würde mich freuen, wenn sie mir Informationen zur Verfügung stellen könnten.

    Vielen Dank für ihre Mühe

    Daniela Dessauer

  • Moses   vor 26 Wochen 4 Tage

    Salomon (Shlomo) Moses, genannt Sally, änderte seinen Familiennamen zum 5. April 1921 in Moser; er wurde am 24. September 1884 Kaldenkirchen als Sohn von Moses Moses, Metzger in Kaldenkirchen, und Henriette Moses geborene Meyer sowie als Zwillingsbruder von Caroline Isaac geborene Moses geboren. Er war Kaufmann und Handelsvertreter von Beruf. Er heiratete Jenny (Yehudit) Heidt/Heydt, die am 17. Juni 1892 in Warburg als Tochter von Shimon Heidt und Eva Heidt geborene NN zur Welt gekommen war. Das Ehepaar wohnte in Wuppertal-Elberfeld, Bergstr. 48, später in Düsseldorf, Concordiastr., 1941 wird sein Beruf mit Polsterer angegeben. Das Ehepaar Moser wurde am 10. November 1941 ab Düsseldorf nach Minsk deportiert [222] Salomon und Jenny Moser waren die Eltern von Fritz Willi, Kurt Erich (geboren am 3. Juni 1920 in Elberfeld, ermordet am 31. März 1943 in Auschwitz) und Johann (Jochanan) Moser, der das Gedenkblatt für seinen Vater ausfüllte und 1999 in Israel lebte.[223]

    https://de.wikipedia.org/wiki/J%C3%BCdische_Opfer_des_Nationalsozialismus_(Nettetal)

  • Bukofzer   vor 31 Wochen 5 Tage

    Gedenkbuch Alte Synagoge Essen

    Bukofzer,
    Lina geb. Levy

    Ich gedenke

    Meine Mutter, Lina Bukofzer, wurde am 4. März 1878 in Oberwinter, einem kleinen rheinischen Dorf, geboren. Sie wurde früh Waise, ihre Jugend war sehr hart. Meine Mutter übersiedelte nach Köln – ich weiß nicht genau wann – und arbeitete dort als Verkäuferin.
    Im Jahre 1904 zog sie nach Essen, lernte dort meinen Vater, Samuel Bukofzer, kennen und heiratet ihn 1908. Sie wohnten zuerst in der Altstadt, später in Rüttenscheid.
    Meine Eltern betrieben in der Bahnhofstraße zusammen mit anderen Familienangehörigen die Firma Franken + Lang, einen Lesezirkelring. Dort arbeitete meine Mutter auch nach dem Tod meines Vaters – er fiel 1916 an der französischen Front – einige Zeit. Nach ihrem Ausscheiden aus der Firma bezog sie eine kleine Dividende aus dem Anteil meines Vaters und eine kleine Rente als Kriegswitwe. Trotz ihrer bescheidenen Einkünfte war meine Mutter immer tadellos gekleidet, unsere Wohnung immer sehr gepflegt. Sie legte Wert auf eine gute Schulbildung für meine Schwester und mich.

    Meine Mutter besaß, sie hatte eine Dorfschule besucht, eine natürliche Intelligenz. Sie las viele gute Bücher, natürlich auch eine Tageszeitung. Sehr gerne ging sie ins Theater. Später hatte sie Abwechselung durch das Radio. Ihre Briefe schrieb sie fehlerfrei, in gutem Stil und mit kleinen, akkuraten Schriftzügen. Sie fand nur schwer Anschluss an andere Menschen, war jedoch aktives Mitglied im jüdischen Frauenverein. Dort half sie vor allem alten und kranken Menschen. Mir war sie stets eine gute Freundin, stand mir mit Rat und Tat zur Seite. So unterstützte sie auch meine Auswanderungspläne, obwohl es ihr sicher nicht leicht fiel, mich gehen zu lassen.
    Nach meiner Emigration 1936 übersiedelte meine Mutter aus ihrer letzten Wohnung in der
    Steubenstraße 68 nach Wuppertal. Sie war dort sehr unglücklich, weil sie als Jüdin keine eigene Wohnung bekommen konnte und so ihre Unabhängigkeit und Selbständigkeit verlor.
    Von Wuppertal aus wurde meine Mutter 1941 in den Osten deportiert.
    In Polen fand sie den Tod.

    Hilde Rosenbaum, Juli 1989

  • Kahn   vor 44 Wochen 4 Tage

    Hallo

    schicken Sie uns noch bitte eine e-mail an info [at] wuppertaler-widerstand [dot] de. dann können wir direkt antworten.

  • Kahn   vor 45 Wochen 5 Tage

    Sehr geehrte Damen und Herren,

    ich bin die Enkelin von Ernst Weber und Mathilde Weber, die beide zuletzt in der Friedhofstraße in Wuppertal gelebt haben. Mein Großvater, Ernst Weber, war "Volksschullehrer" in Wuppertal und hat in dieser Funktion einen Jungen namens Ernst Kahn im Jahr 1945 (glaube ich) vor der Deportation versteckt. Seine Mutter, die als "arisch" galt, wurde nicht verschleppt, sein Vater könnte Ernest Kahn gewesen sein.

    Angeblich soll Ernst Kahn später nach Israel ausgewandert sein, aber das weiß niemand so genau. Gibt es eine Möglichkeit, mehr Informationen über diese Familie und deren Verbleib zu erhalten? Ich würde mich sehr freuen!
    Vielen Dank vorab, mit freundlichen Grüßen, Martina Stickler-Posner

  • Loeb   vor 1 Jahr 6 Wochen

    http://www.stolpersteine-neuwied.de/index.php/8-personenbeitraege/142-lo...

    Paula Loeb

    Paula Loeb wurde am 5. August 1894 in Neuwied geboren. Die Eltern waren der Metzger Jakob Abraham (*6.7.1867 in Heimbach, gest. 17.4.1937) und Johanna Abraham, geb. Weinstock (*1.1.1871 in Hochhausen, gest. 21.3.1938). Sie sind auf dem jüdischen Friedhof in Neuwied-Niederbieber begraben (Grab D 8a und D 8b).

    Die Geschwister waren: Joseph (*30.7.1893 Neuwied), Erna (*2.10.1895 Neuwied) und Helene (*21.11.1898 Neuwied).

    Paula war verheiratet mit Moritz Loeb aus Wuppertal-Elberfeld und wohnte in Neuwied, Luisenplatz 36 (heute: Langendorfer Straße 125).

    Das Gedenkbuch für die NS-Opfer aus Wuppertal dokumentiert: "Moritz Loeb wurde 1885 in Köln geboren. Bis 1926 betrieb er einen Großhandel für Herrenhüte in Köln. Danach war er Einkäufer für Herrenartikel bei der Firma Leonhard Tietz in Elberfeld. Bereits im Juli 1935 wurde er aus rassischen Gründen genötigt, seine Stellung aufzugeben. Danach schlug er sich als Vertreter für eine Wäschefabrik durch. Im November 1938 wurde er von der Gestapo festgenommen und ins Konzentrationslager Dachau gebracht, wo er einen Monat einsaß. Wie er die folgenden Jahre verbrachte und welchen Beruf er ausübte, ist nicht bekannt. Jedenfalls musste die Sechszimmerwohnung aufgegeben werden.

    ... Paula und Moritz hatten vier Kinder: Herbert (Jahrgang 1920), Werner (1922), Günther (1928) und Helmut (1934). Wegen einer psychischen Erkrankung kam Paula in die Nervenheilanstalt Bendorf-Sayn bei Neuwied.

    Moritz Loeb und sein damals siebenjähriger Sohn Helmut wurden am 10. November 1941 vom Bahnhof Steinbeck nach Minsk in Weissrussland deportiert und dort wahrscheinlich ermordet. ... Die drei älteren Söhne der Loebs konnten sich durch Emigration retten."

    Paula Loeb war Patientin in der Heil- und Pflegeanstalt (Jacobysche Anstalt) Bendorf-Sayn. Sie wurde am 22.3.1942 aus Bendorf über Koblenz nach Izbica deportiert und dort ermordet.

    Bruder Joseph heiratete am 27.1.1929 in Neuwied Hedwig Scheyer (Scheier). Zum Zeitpunkt der Heirat wohnte Joseph in Elberfeld. Dort wurden Sohn Karlheinz (*23.12.1929) und Tochter Ruth (*30.09.1935) geboren. Die Familie Joseph Abraham wanderte am 15.09.1938 von Neuwied nach USA aus. Joseph (Jupp) verstarb 1978 in New York/USA.

    Schwester Helene heiratete Gosta Wahlberg (aus Stockholm/Schweden). Aus der Ehe gingen zwei Kinder hervor. Sie verstarb 1986 in Stockholm.

    Quellen:

    Gedenkbuch des Bundesarchivs für die Opfer der nationalsozialistischen Judenverfolgung in Deutschland (1933-1945),
    http://www.bundesarchiv.de/gedenkbuch/directory.html

    Yad Vashem, Jerusalem,
    http://db.yadvashem.org/names/search.html?language=de

    Bar-Giora Bamberger, Naftali: Memorbuch, Der jüdische Friedhof in Neuwied-Niederbieber, 2000

    Stadtarchiv Neuwied, Gerd Anhäuser
    StA Neuwied Geburtsregister-Nr.: 188/1893
    StA Neuwied Geburtsregister-Nr.: 188/1894
    StA Neuwied Geburtsregister-Nr.: 249/1895
    StA Neuwied Geburtsregister-Nr.: 276/1898
    StA Neuwied Heiratsregister-Nr.: 12/1929
    StA Neuwied Heiratsregister-Nr. 201/1921
    StA Neuwied Sterberegister-Nr.: 269/1966

    LHA Koblenz, HV 113, Kartei der Gestapo Koblenz

    http://www.ancestry.com/genealogy/records/jupp-abraham_139059640

    http://www.ancestry.com/genealogy/records/helene-abraham_162436081

    http://www.ancestry.com/genealogy/records/erna-abraham_154919859

    Aussage von Dietrich Schabow, Bendorf

    Homepage d. Stadt Bendorf: Die ehemalige Jacobysche Anstalt in Bendorf‑Sayn,
    www.bendorf.de/stadt‑buerger/geschichte/jacobysche‑anstalt/

    Gedenkbuch für die NS-Opfer aus Wuppertal
    http://www.gedenkbuch-wuppertal.de/de/person/loeb-0

  • Wollstein   vor 1 Jahr 6 Wochen
  • Goldmann   vor 1 Jahr 8 Wochen

    Selma Goldmann, geb. Bremer
    ist die Tochter aus der zweiten Ehe von Meier Anschel Bremer mit Amalie Katz(enstein) aus Neutershausen in Hessen. Sie ist am 12. 10. 1871 in Seesen geboren und heiratet am 5. 10. 1904 den Kaufmann Louis Goldmann, geb. am 4. 1. 1877 in Hameln. Er wohnt später in Osterode am Harz und ab 1939 in Wuppertal-Barmen.

  • Bieber   vor 1 Jahr 10 Wochen

    Bieber, Arthur

    geboren am 04. Oktober 1905 in Mülheim a.d. Ruhr / - / Rheinprovinz
    wohnhaft in Wuppertal

    Emigration:
    Niederlande
    Belgien

    Deportation:
    ab Belgien
    10./15.05.1940, Saint Cyprien, Internierungslager
    Drancy, Sammellager
    26. August 1942, Auschwitz, Vernichtungslager

    Q.: Gedenkbuch Bundesarchiv

  • Funke   vor 1 Jahr 11 Wochen

    folgende Fußnoten:

    Vgl. Wichers, Hermann: Im Kampf gegen Hitler. Deutsche Sozialisten im Schweizer Exil 1933-1940, Zürich 1994, S. 200f. Vgl. auch den Bericht von Ewald Funke: Bericht über Württemberg /Februar 1936, in: BArch B, SAPMO, RY 1/I 2/3/281. Stark gekürzt abgedruckt in: BzG (1979), Heft 1, S. 75f; BArch B, SAPMO, RY 1 /I 2/3/316; BArch B, SAPMO, NJ 1629, Bd. 4-8, FBS 110/2004; BArch B, ZC 15745; BArch B, NJ 2747, Bd. 2; BArch B, R 58/683; BArch B, PST 3/90 (Alte Sig.); Paul Meuter: Erinnerungsbericht über die Emigration in der Schweiz /März 1968, in: BArch B, SAPMO, EA 1487; Paul Meuter: Ein Lebensbericht, in: BArch B, SAPMO, EA 1487; Knauer, Mathias/Frischknecht, Jürg: Die unterbrochene Spur. Antifaschistische Emigration in der Schweiz von 1933 bis 1945, Zürich 1983, S. 113-114. Nach Meuters Darstellung wurde Eugen Wicker sogar noch in der Schweiz vorstellig, wurde dort aber enttarnt und verprügelt. Vgl. ebd, S. 114. Vgl. Mallmann, Klaus-Michael: Die V-Leute der Gestapo. in: Mallmann, Klaus-Michael /Paul, Gerhard (Hg.): Die Gestapo. Mythos und Realität, Darmstadt 1995, S. 280.

  • Funke   vor 1 Jahr 12 Wochen

    Ich bin ueber den Halbsatz zu Alfons Wicker "der ebenfalls mittlerweile für die Gestapo arbeitete" gestolpert. Gibt es dafuer Beweise oder zumindest starke Indizien? Das Spruchkammerverfahren endete jedenfalls mit einem Freispruch fuer Alfons Wicker. Fuer eine entsprechenden Hinweis ware ich dankbar!

  • Gauger   vor 1 Jahr 13 Wochen
  • Ferber   vor 1 Jahr 14 Wochen

    Ferber, Leopold
    Nachname: Ferber
    Vorname(n): Leopold
    Geburtstag: 30.07.1880
    Geburtsort: Siegen
    Wohnort(e): Hundgasse 19, Siegen;
    Wuppertal
    Beruf(e): unbekannt
    Religion: jüdisch
    Deportationsdatum: 10.11.1941 ab Düsseldorf
    Haftort(e): Minsk, Ghetto
    Todesdatum: unbekannt
    Todesort: unbekannt

    Biografie: Leopold Ferber war Sohn des Handelsmannes Heinrich Ferber und seiner Ehefrau Therese (Theresia) Ferber, geborene Faßbender. Die Ehefrau war gebürtig aus Remagen. Beide waren seit 10. November 1869 verheiratet. In einigen Adressbüchern wird für Heinrich Ferber als Beruf Metzger angegeben.

    Dem Ehepaar wurden in Siegen sieben Kinder geboren: Theodor (1871), Julius (1872), Adolf (1874), Rosalie (1876), Emilie (1878), Leopold (1880) und Max (1882).
    Klaus Dietermann, 2016
    Quellenangabe: GB BA Berlin; "Durch den seit dem 17. April 1953 rechtkräftigen Beschluss des Amtsgerichts Wuppertal für tot erklärt. Als Zeitpunkt des Todes ist der 8. Mai 1945 festgestellt worden. F 25/7.53 - 31 II 305-301/52"; StA SI, Geburtenregister A 374/1880
    Familienmitglieder:
    Menkel, Rosalie geb. Ferber (ist Geschwisterteil von)
    Ferber, Adolf (ist Geschwisterteil von)

  • Düvelmeyer   vor 1 Jahr 15 Wochen

    Sehr geehrte Damen und Herren,

    Willi Düvelmeyer war der jüngere Bruder meiner Urgroßmutter, Agnes Schmitz, verwitwete Walterscheid, geb. Düvelmeyer, geb. 9.9.1891 in Elberfeld.
    Ihr Bruder war, lt. Aussage meiner Mutter, homosexuell und wurde deshalb inhaftiert.
    Genaueres über seinen letzten Wohnort etc. ist mir aber auch nicht bekannt.

    Mit freundlichen Grüßen Thomas Taxacher

  • Lindemeyer   vor 1 Jahr 16 Wochen

    Georg und Frieda Lindemeyer

    Dr. Georg Lindemeyer (geb. 1887 in Wuppertal-Elberfeld) und seine Frau Frieda (geb. Lewinsky 1893 in Berlin) waren Christen jüdischer Abstammung. Das Ehepaar hatte drei Kinder – Eva-Maria, Edith Magdalena und Wolfgang Karl – und lebte im eigenen Haus Salierstraße 4 im Stadtteil Oberkassel.

    Dem „Nichtarier“ Lindemeyer entzogen die Nationalsozialisten kurz nach ihrer Machtübernahme 1933 die Zulassung als Rechtsanwalt am Land- und Amtsgericht Düsseldorf, die er seit 1915 inne hatte. Im Laufe der Jahre 1937 bis 1939 brach die Familie auseinander: Als sie Arbeit in England fand und so die Einreisegenehmigung erhielt, verließ Tochter Edith die Familie, dann wurde Sohn Wolfgang an einem englischen Internat angenommen. Als Letzte folgte 1939 Eva-Maria ihren Geschwistern nach England – die Eltern drängend, möglichst bald zu folgen.

    Doch alle Auswanderungsversuche von Georg und Frieda Lindemeyer scheiterten mit dem Kriegsbeginn vom September 1939. Zuletzt wohnte das Ehepaar in einem „Judenhaus“ in der Yorckstraße 42 in Düsseldorf-Derendorf. Am 10. November 1941 wurden sie von Düsseldorf ins Ghetto von Minsk deportiert. Sie haben nicht überlebt.

  • Wollstein   vor 1 Jahr 16 Wochen

    hier ein Artikel mit Foto, in dem er erwähnt ist:

    http://digitale-sammlungen.ulb.uni-bonn.de/ulbbnz/periodical/zoom/3624026

    General-Anzeiger vom 4.5.1931

Bildleiste für das Gedenkbuch von Wuppertal